Een beheerste loonkostenontwikkeling blijft meer dan ooit nodig

Vorige week publiceerde het European Trade Union Institute (ETUI) een studie over het verband tussen productiviteit en reële loonstijgingen in de Europese lidstaten tussen 2000 en 2016. De Europese vakbondskoepel kwam tot het besluit dat de lonen in België minder snel gestegen zijn dan de productiviteit, waardoor er opnieuw ruimte zou zijn voor reële loonstijgingen. Het VBO is het fundamenteel oneens met deze conclusie: ondoordachte en economisch ondraagbare loonkostenstijgingen zullen het concurrentievermogen van onze bedrijven aantasten en jobs verloren doen gaan.


Pieter Timmermans, GEDELEGEERD BESTUURDER
25 april 2018

ETUI gaat in zijn analyse voorbij aan enkele belangrijke sociaaleconomische wetmatigheden. Zo zijn er in de eerste plaats verschillende facetten aan het concept ‘productiviteit’. Zo is het bijvoorbeeld belangrijk om na te gaan of de productiviteitsstijgingen te wijten zijn aan innovatieve productie- en managementtechnieken of schaalvergroting (de zogenaamde totale factorproductiviteit), dan wel  veroorzaakt zijn door te sterke loonstijgingen die de bedrijven hebben gedwongen om zeer fors te investeren in arbeidsbesparende machines, met een sterke stijging van de productie per (overblijvende) werknemer tot gevolg (arbeidsproductiviteit). Die laatste “endogene” of “perverse” productiviteitswinsten kan je vanuit maatschappelijk oogpunt bezwaarlijk een goede zaak noemen.

Bovendien heeft het federaal parlement vorig jaar een hervorming van de loonnormwet (de zogenaamde ‘wet van 96’) goedgekeurd. Deze wet bepaalt in welke mate de reële lonen mogen stijgen. Concreet betekent dit dat bij het bepalen van de loonmarge wordt vertrokken van de verwachte loonkostenstijgingen in Duitsland, Nederland en Frankrijk. Vervolgens worden daar de verwachte indexering in België, een correctie voor de resterende loonkostenhandicap ten opzichte van 1996 en een veiligheidsmarge van minimaal 0,5% van afgetrokken. Het is op basis van dit kader dat de sociale partners in het volgende IPA de loonstijgingen zullen bepalen.

De kritiek van syndicale organisaties op deze loonnormwet is dat de interprofessionele loononderhandelingen niet ‘vrij’ zijn. Het klopt dat met deze wet nieuwe loonkostenontsporingen vermeden worden en dat de loonmarge onderhevig is aan restricties. Ik kaats de bal echter terug: als je wil onderhandelen zonder de opwaartse restricties van de nieuwe loonnormwet, wil men dan ook onderhandelen zonder een minimumdrempel (de zogenaamde automatische indexering)?

Daarnaast is het belangrijk in herinnering te brengen dat de absolute loonniveaus in België reeds significant hoger liggen dan in Duitsland, Frankrijk en Nederland. In 2015 bedroeg deze absolute loonkostenhandicap nog 15,3%. Om tot het niveau van vandaag te komen zijn enkele serieuze inspanningen geleverd via een politiek van loonmatiging, de indexsprong en de hervorming van de loonnormwet. Toch zijn we er nog niet. Een arbeidsuur in België blijft anno 2018, na aftrek van alle lastenverlagingen en fiscale subsidies, nog steeds 11 à 12% duurder dan in onze buurlanden (36,2 euro t.o.v. 32,5 euro). Bedrijven moeten dus al uiterst innovatief, productief en flexibel zijn of kwalitatief hoogstaande nicheproducten hebben met sterk geautomatiseerde productieprocessen om te kunnen meespelen op de wereldmarkt. Deze handicap inzake absolute loonniveaus dient verder te worden afgebouwd.

In de desbetreffende analyse gaat men overigens voorbij aan de component ‘koopkracht’ binnen de taxshift. Zo heeft men enkele maatregelen genomen die de personenbelastingen moet verlagen, zoals de schrapping van het tarief van 30%. Ook dit heeft geleid tot een verhoging van het nettoloon.

Nu overgaan tot loonkostenstijgingen die economisch ondraagbaar zijn en die hoger liggen dan in onze buurlanden, zou de concurrentiepositie van onze bedrijven aantasten, leiden tot een minder sterke private jobcreatie en zo het insider-outsider-verhaal op onze arbeidsmarkt opnieuw versterken. Te sterke reële loonsverhogingen voor zij die al een job hebben (de insiders), zouden de kansen op de arbeidsmarkt immers aanzienlijk verkleinenvoor zij die vandaag nog geen job hebben (de outsiders). En met een werkzaamheidsgraad die nog 5 bijna procentpunten lager ligt dan de Europese doelstelling (68,5% t.o.v. 73,2%), is het duidelijk dat we nog heel veel outsiders kansen moeten geven om terug aan de slag te raken. Een beheerste en gematigde loonkostontwikkeling is daarvoor de beste garantie.

Pieter Timmermans, gedelegeerd bestuurder

Onze partners

Actiedomeinen

Een gezond ondernemingsklimaat is essentieel voor een gezonde economie en duurzame groei in België. Als VBO nemen we de verantwoordelijkheid om de motor van onze welvaartsstaat op kruissnelheid te houden. Om dat te bereiken, focussen we op 18 actiedomeinen die bijdragen tot een duurzame groei.


VBO-NIEUWSBRIEVEN

Schrijf u nu in en ontvang wekelijks de laatste artikelen direct in uw mailbox.