Waarom de Wet van ’96 vandaag meer dan ooit nodig is

Op 14 januari ll. stelde de CRB zijn Technisch Verslag rond de maximale marge voor loonstijgingen in 2021-2022 voor. Daarin concludeert de CRB dat de lonen in 2021-2022 maximaal met 0,4% mogen stijgen bovenop de index als we onze loonkostenontwikkeling in de pas willen houden met de drie buurlanden Duitsland, Nederland en Frankrijk. Dat laatste is uitzonderlijk belangrijk, want Belgische bedrijven opereren in een kleine open economie en zijn dus in hoge mate afhankelijk van hun exportprestaties, waarvoor ze met hun hoogkwalitatieve en innovatieve producten het meest in concurrentie staan met bedrijven uit die naaste buurlanden.


Edward Roosens, COMPETENTIECENTRUM ECONOMIE & CONJUNCTUUR
18 maart 2021

De CRB kwam uit op die 0,4% omdat de loonstijgingen in onze buurlanden naar verwachting erg beperkt zullen blijven, aangezien zij (net als wij) door de COVID-19-pademie met de ergste crisis sinds WOII worstelen. En omdat er daarnaast in ons land in 2021-2022 toch nog altijd een automatische loonindexering van 2,8% wordt verwacht. Neem die 2 elementen samen en er blijft niet veel ruimte over voor bijkomende reële loonstijgingen als we onze ondernemingen competitief willen houden.

Volkomen logisch. En ook perfect uitlegbaar aan werknemers in de privésector (die zich momenteel vooral zorgen maken over hun job) dat er in crisistijden even moet worden getemporiseerd inzake reële cao-loonstijgingen, bovenop de indexaanpassingen en baremieke verhogingen.

De geschiedenis leert ons trouwens dat dergelijke periodes van crisis waarin de buurlanden op de rem (moeten en kunnen) gaan staan inzake loonstijgingen, typisch de periodes zijn waarin onze bedrijven fors aan concurrentievermogen inboeten omdat index en barema’s bij ons steeds blijven doorlopen. Die automatismen zorgen er op zich vaak al voor dat we boven de loonstijgingstempo’s van de buurlanden uitschieten.

Dat was bijvoorbeeld het geval na de oliecrisissen midden jaren 70 en begin jaren 80 en na de Golfoorlog van begin jaren 90. Telkens resulteerden die episodes in een sterk verlies aan concurrentievermogen van onze bedrijven, zware recessies, herstructureringen en delokalisaties en bijgevolg omvangrijk jobverlies. Tussen 1975 en 1984 gingen in de privésector 300.000 jobs verloren (-14%), tussen 1991 en 1994 nog eens 80.000 jobs (-3,5%).

Dat is dus de reden waarom er in 1996, vlak voor de toetreding tot de Europese Monetaire Unie en het wegvallen van het wisselkoersinstrument als macro-economisch correctiemechanisme, een wet is gekomen die de loonkostenstijgingen bovenop de index normeert o.b.v. de verwachte loonkostenontwikkelingen in de buurlanden.

In 2007-2013 werd echter vastgesteld dat de wet er toch niet in slaagde de loonkosten in de pas te doen lopen met de buurlanden. Door een relatief hoge inflatie en onderschatte loonstijgingen in de buurlanden liep onze loonkostenhandicap in die periode op tot 5 à 6%. De regering-Michel besliste dan ook om de wet nog verder te verfijnen via een wetswijziging in maart 2017: o.a. door een ruimer staal aan economische prognoses in beschouwing te nemen, een sluitend correctiemechanisme uit te werken en een veiligheidsmarge voor voorspellingsfouten te voorzien van 0,5% (restitueerbaar indien niet nodig). Dat laatste was ingegeven door het voorzichtigheidsprincipe: liever iets niet geven dan later iets te moeten terugnemen. Tijdens de regering-Michel (2017-2018 en 2019-2020) werden op die basis 2 sociale akkoorden gesloten waarin telkens een reële loonsverhoging van 1,1% bovenop de index werd voorzien.

Nu we echter in de diepste economische recessie sinds WOII zijn beland (par excellence dus een gevaarlijk moment voor onze concurrentiepositie), zetten de vakbonden een frontale aanval in op deze belangrijke wet. Daarin gesteund door enkele academici die van oordeel zijn dat de loonnormeringswet te weinig flexibiliteit toelaat om de loonstijgingen af te stemmen op productiviteitsverschillen in de bedrijven en/of er zelfs voor pleiten om nu hogere loonstijgingen toe te laten om zo incentives te creëren voor sterkere productiviteitswinsten.

Dat laatste argument staat echter gelijk aan de kar voor het paard spannen. Zoals hierboven aangetoond heeft dat in het verleden alleen maar geleid tot massaal jobverlies. Macro-economisch leiden die loonstijgingen dan per definitie wel tot productiviteitswinsten, maar meestal gaat het om zogenaamde ‘perverse productiviteitswinsten’ waarbij bedrijven in antwoord op te hoge automatische en ‘afgedwongen’ loonstijgingen hun toevlucht (moeten) nemen tot delokalisaties, extreme automatisering (mensen door machines vervangen) of afslanking om overeind te blijven.

De volgorde moet natuurlijk anders zijn: op micro-economisch niveau moeten maatregelen worden genomen die entrepreneurship, intrapreneurship, innovatie en groei aanmoedigen: lagere lasten op arbeid en ondernemerschap, het toelaten van meer arbeidsflexibiliteit (bv. inzake avondwerk om e-commerce mogelijk te maken), minder restrictieve economische reglementeringen (bv. inzake openingstijden in de handel), minder administratieve lasten, investeringen in een betere infrastructuur, beter op de arbeidsmarkt aansluitende opleidingstrajecten, slimme oplossingen voor de fileproblematiek …

Wanneer al die micro-economische maatregelen hun resultaten afwerpen en leiden tot een sterkere economische groei, kunnen de vruchten van die groei gedeeld worden, o.a. onder de vorm van hogere loonstijgingen. Dan kan de productiviteit omhoog gaan door een versterking van de economische groei, eerder dan door een daling van het aantal jobs.

Wat dan het eerste argument betreft over de loonnormeringswet die te weinig flexibiliteit zou toelaten om loonstijgingen te aligneren op de productiviteit. Daarbij moet men in rekening nemen dat de loonnormeringswet niet meer is dan een tegengewicht tegen een nog veel grotere bron van inflexibiliteit en rigiditeit: de automatische loonindexering. Die bestaat in geen enkel ander Europees land (op Cyprus, Malta en Luxemburg na), neemt meestal 60 tot 80% van de totale loonsverhogingen voor haar rekening en verhoogt de lonen voor alle werknemers in gelijke mate ongeacht de productiviteit van het bedrijf, de sector of de werknemer. Door zijn automatisme heeft het geen enkele waarde meer en beseft niemand nog dat ook deze loonindexering eerst moet worden verdiend door meer omzet, meer verkoop, meer productie of meer export. Als dit starre element in de loonvorming niet meer zou bestaan, zou ook de loonnormeringswet als tegengewicht niet meer nodig zijn. Dan zouden werkgevers en werknemers op interprofessioneel, sectoraal en/of ondernemingsniveau vrij kunnen onderhandelen over de totale ruimte voor nominale loonstijgingen, zoals in alle ons omringende landen. Buitenlandse voorbeelden tonen overduidelijk aan dat dit voor ons land de ‘first-best’-oplossing zou zijn.

Maar zolang het macro-risico van de loonindexering bestaat, moet daar dus een compenserende en zo waterdicht mogelijke macro-paraplu tegenover staan.

Onze partners

Actiedomeinen

Een gezond ondernemingsklimaat is essentieel voor een gezonde economie en duurzame groei in België. Als VBO nemen we de verantwoordelijkheid om de motor van onze welvaartsstaat op kruissnelheid te houden. Om dat te bereiken, focussen we op 18 actiedomeinen die bijdragen tot een duurzame groei.


VBO-NIEUWSBRIEVEN

Schrijf u nu in en ontvang wekelijks de laatste artikelen direct in uw mailbox.