Opzeggingstermijn hogere bedienden – Arrest van het Grondwettelijk Hof

De afwijkende regeling voor de hogere bedienden van artikel 68, lid 3 verwijst niet naar de mogelijkheid tot toepassing van eventuele contractuele opzeggingsclausules. Dat is volgens het Grondwettelijk Hof ongrondwettelijk.

Hanne De Roo, COMPETENTIECENTRUM WERK & SOCIALE ZEKERHEID
19 juni 2019

Voor arbeidscontracten die vóór 1 januari 2014 werden gesloten en die na die datum worden beëindigd, wordt de opzeggingstermijn bepaald door de optelling van twee termijnen: die op basis van de anciënniteit vóór 1 januari 2014 en die op basis van de anciënniteit nadien.

Voor de periode vóór 2014 schrijft de Wet Eenheidsstatuut (hierna WES) voor dat de opzeggingstermijn wordt vastgelegd op basis van "de wettelijke, reglementaire en conventionele regels". Echter, voor hogere bedienden – met een jaarlijks loon boven de 32.254 euro op 31 december 2013 – geldt een specifieke afwijkende regeling en wordt er niet verwezen naar de mogelijkheid tot toepassing van eventuele contractuele opzeggingsclausules.

Voor hogere bedienden bedraagt volgens artikel 68, lid 3 WES het eerste deel van de opzeggingstermijn, in geval van opzegging door de werkgever, 1 maand per begonnen jaar anciënniteit, met een minimum van 3 maanden.  Het al dan niet voorhanden zijn van een geldige opzeggingsclausule in de arbeidsovereenkomst doet hierbij dus niet ter zake. Dat betekent dat indien de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt, de werknemer zich niet kan beroepen op een gunstigere conventionele regeling (of omgekeerd, de werkgever kan de afwijkende opzeggingsregeling die minder gunstig is ook niet afdwingen) en dus enkel de wettelijke forfaitaire formule geldt. 

De Raad van State maakte hierbij destijds al de bedenking dat dit afbreuk doet aan de verworven rechten van deze werknemers. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt eveneens dat het de bedoeling van de wetgever was om geldig afgesloten opzeggingsclausules voor hogere bedienden toch te laten naleven. Zo stelt men in de parlementaire voorbereiding dat rekening moet worden gehouden met de legitieme verwachtingen van de partijen van wie de arbeidsovereenkomst werd gesloten en uitgevoerd vóór 1 januari 2014. Een legitieme verwachting houdt in dat de overeengekomen clausules worden gerespecteerd.

Volgens de parlementaire voorbereiding moeten alle geldige clausules die bestaan op 31 december 2013 onveranderd blijven en is het op basis van deze clausules dat de rechten worden bepaald voor het verleden. Ingevolge het advies van de Raad van State, werd beslist dat de overeenkomsten die op 31 december 2013 van kracht waren, zullen blijven gelden, ongeacht of de in de overeenkomst bepaalde opzeggingstermijn gunstiger of minder gunstig is dan die in de nieuwe wettelijke regeling.

De wetgever paste, ondanks dit duidelijk advies, de tekst van de wet echter niet aan op dit punt. Het gevolg hiervan is dat het artikel 68, lid 3 WES ongrondwettig werd verklaard door het Grondwettelijk Hof. De wetgever zal het artikel moeten aanpassen.

> Zie arrest nr. 93/2019 van 6 juni 2019 


Onze partners

Actiedomeinen

Een gezond ondernemingsklimaat is essentieel voor een gezonde economie en duurzame groei in België. Als VBO nemen we de verantwoordelijkheid om de motor van onze welvaartsstaat op kruissnelheid te houden. Om dat te bereiken, focussen we op 18 actiedomeinen die bijdragen tot een duurzame groei.

VBO-NIEUWSBRIEF IMPACT

Schrijf u nu in en ontvang wekelijks de laatste artikelen direct in uw mailbox.